Hij woont tijdelijk in Brouwershaven en ondertrouwd aldaar op 9 maart 1656 en vestigd zich in Ouddorp als mr. chirurgijn, barbier en winkelier en mogelijk molenaar. Was rentmeester van de familie "Hofstad van Beresteijn", die een landgoed te Ouddorp bezaten. Verder was hij boekhouder van de gasthuisarmen in 1687 en van 1689 tot 1691 schout van Ouddorp.
Het ambachtsherengeslacht Grinwis: Wie in deel 7 van de ÂTegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden van Tirion de geschiedenis van Westvoorne doorleest, stuit op bladzijde 130 op een bekende OUDDORP VAN 1550  1800 (7) Ouddorpse familienaam. Op deze en volgende paginaÂs wordt verteld, dat in 1724 ene Jan Grinwis de ambachtsheerlijkheden koopt van de polders het Oudeland, de Oude Oostdijk, het Oude Nieuwland en het West Nieuwland. Het recht om ambachtsheerlijkheden uit te geven was voorbehouden aan de landheer, eertijds de Heren van Voorne en na het uitsterven van dit geslacht in 1372 de Graven van Holland. De laatste Graaf van Holland was Filips de Tweede, die in 1581 door de Staten van de zeven noordelijke Gewesten in de ÂActe van Verlatinghe werd afgezworen, waarna zijn rechten werden opgeschort. Tevergeefs zoeken de Staten hun landen onder te brengen bij een nieuwe landheer, waarna zij in 1588 de soevereiniteit aan zichzelf trekken en de Heerlijke rechten betreffende de Heerlijkheid Voorne overgaan op de Staten van Holland. In 1724 stelden de Staten een aantal ambachtsheerlijkheden onder Voorne te koop, waaronder eerst drie, later vier, in Westvoorne. Van hen kocht Jan Grinwis de vier ambachtsheerlijkheden in âeâen koop, die op 2 februari 1725 met een contract werd bekrachtigd. Hierdoor werd hij Heer van Ouddorp en ook verkreeg hij omstreeks diezelfde tijd een familiewapen. Hij benoemde zichzelf tot Schout en Secretaris en voegde op die manier hun salaris aan zijn andere inkomsten toe. Hoewel iedere polder een eigen lage jurisdictie bezat en dus in kleine zaken een rechtbank mocht formeren en recht mocht spreken, was er in de praktijk voor elk college eenzelfde schout en eenzelfde secretaris in de persoon van ambachtsheer Grinwis. Als er uit een van de vier polders een zaak voor het gerecht werd gebracht, hoefde Schout Jan Thomas Grinwis niet van huis, want een van de kamers in zijn woning diende als rechtszaal. Hij woonde naar het schijnt in de Weststraat en stond in het tweede kwart van de achttiende eeuw aan het hoofd van een gemeenschap van ca. 550 zielen van boven de vier jaren oud. De ambachtsheer benoemde vier Mannen van Beschikke, die telken jaare uit een dubbel aantal voor elke polder de schepenen kozen. Aan het hoofd van het college van schepenen stond de schout - dus weer de ambachtsheer - en tezamen voerden ze de taken uit van de huidige dijkgraaf en heemraden. Deze colleges werden aangestuurd door de Mannen van Beschikke, die door de ambachtsheer werden gekozen, dus kon er in genoemde polders weinig gebeuren of de ambachtsheer had er een vinger in de pap. De Mannen van Beschikke controleerden of de schout en schepenen hun bestuurlijk werk naar behoren hadden verricht, door het jaarlijks houden van een naschouw, ofwel het bekijken, ÂschouwenÂ, van dijken en watergangen, iets wat de schout  let op de naam van de functionaris  al eerder had gedaan. De Ambachtsheer stelde de gemeentebode aan en een door de kerkenraad beroepen predikant moest worden goedgekeurd door de Ambachtsheer en de Mannen van Beschikke, die ook de koster, de schoolmeester en de voorzanger in de gemeente benoemden. De hogere of criminele jurisdictie berustte bij de Baljuw en Leenmannen van Voorne te Brielle, die tot 1578 op gezette tijden naar Goedereede kwamen om op het stadhuis recht te spreken, tot men de kosten en de moeite ging ontzien. Daarna werd te Goedereede een substituut baljuw aangesteld, die geholpen door zeven Mannen van Beschikke halsmisdrijven berechten mocht. Doodvonnissen, ook van Ouddorpse ingezetenen, werden in Goedereede voltrokken, zoals blijkt uit de vermelding door van Dam dat in 1559 een moordenaar en in 1586 een heks alsmede een zekere N.Leerkop, allen uit Ouddorp op het Goereese galgenveld geèexecuteerd werden. Wie was deze Jan Thomas, die in 1724 een kapitaal van fl. 8800,- kon neerleggen om deze investering in zijn toekomst en die van zijn geslacht te doen? Na de neergang van Goedereede in de eerste helft van de 16e eeuw waren er immers maar weinig ingezetenen van het eiland Westvoorne die als kapitaalkrachtig bestempeld konden worden, behalve zij die hun kapitaal elders verdiend hadden, zoals Zacharias Hofdijk van Beresteyn of Jacob Gybland van Rustburg. Hoewel Jan Grinwis in Ouddorp geboren was, gold dit in feite gedeeltelijk ook voor hem. Hij kwam uit een voorgeslacht van Engelse lakenhandelaren, die voor zij zich na 1600 in Londen vestigden, landeigenaren in Shropshire waren, waar zij veel wol produceerden. De oorsprong van het geslacht ligt hoogstwaarschijnlijk in Wales. De naam van het geslacht was nogal sterk aan spellingswisselingen onderhevig. Zo vinden we in de 15e en 16e eeuw de namen Grenowe, Grenows, Grenos, Grenowes en Grenewis. De grootvader van Jan Thomas heette John Grenewis, die met zijn oudere broers Francis en Richard in Londen de lakenhandel uitoefende, terwijl broer William het landgoed beheerde. John, geboren in 1585 en tien jaar jonger dan zijn oudste broer Richard, werd omstreeks 1620 naar Middelburg gezonden, om daar de belangen van hun wol en laken exporterende firma te behartigen. Het werd geen tijdelijk verblijf, want hij vestigde zich er voorgoed en trouwde in 1629 op 44 jarige leeftijd de Zeeuwse Chatalijntje. Hij moet een geacht burger zijn geweest en wordt genoemd als een van de oprichters en later als diaken en ouderling van de Engelse kerk aldaar. Hij stierf in 1639. Naar zijn vierde zoon, Thomas Grinwis, Grinwits of Grijnwits (nu beginnen de Nederlandse uitspraak en spelling een aanslag te doen op de familienaam) gaat onze belangstelling uit. Hij werd in 1636 te Middelburg geboren en had met het lakenbedrijf niets meer van doen. Hij ging kennelijk in de leer bij een chirurgijn en moet een man geweest zijn die redelijk goed was opgeleid en van alle markten thuis was. Als hij in 1656 met de even oude Jacomijntje Woutermans uit Brouwershaven trouwt, doet hij dat in Ouddorp, waar hij zich vestigt als meester chirurgijn, winkelier en mogelijk als molenaar. Verder vervult hij de functie van rentmeester van de familie Hofdijk van Beresteyn, van boekhouder van de Gasthuisarmen, en enkele jaren van Schout te Ouddorp. De oudste zoon Jan uit 1659 werd maar elf en zijn zus Maatje uit 1663 trouwde met Dimmen Krijger, een boer uit Ouddorp. In 1669 volgde Jacob Thomas, die notaris in Ouddorp werd en huwde met Gooltje Kievit. In 1675 werd Catelijntje geboren, die maar 26 jaar oud werd en drie dagen na de geboorte van een dochtertje overleed. Zij was getrouwd met Aren Admirant. Als laatste wordt in 1682 Jan Thomas geboren, die in 1705 in Rotterdam in de echt treedt met Maria van Noortwijck. Ergens tussen 1682, toen Jan Thomas geboren werd en 1690 toen Thomas Sr. voor de tweede keer trouwde, moet zijn vrouw Jacomijntje gestorven zijn. Thomas huwde in 1690 Hester Vlietland, voor wie dit haar derde huwelijk was. Thomas stierf op 31 augustus 1692 en de nalatenschap omvatte onder andere landerijen, rentebrieven, obligaties en geld ten bedrage van fl. 8815 en verder gouden en zilveren kostbaarheden. Het aan de kinderen toekomende deel werd hen in 1696 uitgekeerd. Daarvan ging fl.2253 naar Jan Thomas. Net als zijn vader werd Jan Thomas chirurgijn en net als hij wist hij zijn kapitaal te vermeerderen, wat hem in 1724 toen de ambachtsheerlijkheden te koop kwamen van pas kwam. Het bleek een prima investering te zijn want dertig jaar later kwam zijn nalatenschap royaal boven de fl.20.000 grens. Jan moet als ambachtsheer in 1734 betrokken zijn geweest bij het herstel aan de steeds bouwvalliger wordende kerk. Als hoogste gezagsdrager was hij de aangewezen persoon om aan de Staten toestemming te vragen de accijnzen op bier, wijn en gedestilleerd en de inkomsten van de waag te mogen bestemmen voor deze herstelwerkzaamheden. Jan Thomas en zijn vrouw Maria van Noortwijck kregen 12 kinderen, van wie vijf vroeg overleden. Hij zelf stierf in 1753, zijn vrouw in 1773. Beiden werden in de kerk van Ouddorp bijgezet als Heer en Vrouwe van Ouddorp. De ambachtsheerlijkheid ging over op Pieter Jan Grinwis, hun op âeâen na jongste zoon, die in 1728 te Ouddorp geboren werd. Dat Pieter Jan Grinwis, het elfde en op âeâen na jongste kind van Jan Thomas de heerlijkheid kreeg, lag aan de feiten dat men de dochters oversloeg en dat de meeste kinderen al dood waren voor hun vader stierf. Naast ambachtsheer werd ook Pieter schout en secretaris. Zijn oudere broer, Thomas Jan was eerst secretaris te Ouddorp maar hij stierf in 1749, dus váoáor zijn vader. Misschien was het bekleden van dit ambt een aanwijzing dat Thomas Jan was voorbestemd zijn vader op te volgen. Dirk vertrok naar Middelburg, waar hij in 1740 huwde met Maria Adriaans Willems. Hij werd er notaris en kreeg kinderen, maar deze tak stierf in de mannelijke lijn uit. Lucas Jan (II) wordt Man van Beschikke van het Oudeland en Schepen van het Oude Nieuwland, maar sterft in 1751. Jacob werd kruidenier in Rotterdam en van de jongste, Martinus, is mij verder niets bekend.